Personen die na de noodtoestand de getroffen mensen en hun naasten hielpen kwamen ook in het vizier van de ordediensten. De 34-jarige Halime Gülsu was één van deze personen.

Halime woonde samen met haar moeder. De school waar ze werkte werd na de mislukte couppoging van 15 juli 2016 gesloten. Na het verliezen van haar werk begon ze de naasten, vooral kinderen, van de door de noodtoestand getroffen en gearresteerde personen te helpen. Wat ze deed werd beschouwd als een misdrijf en op 20 februari 2018 werd ze opgepakt. 12 dagen later, op 3 maart 2018, werd ze met een rechterlijk besluit gearresteerd en geplaatst in de vrouwenafdeling van de gevangenis in Tarsus. Ze zat daar samen met 21 andere vrouwen.

Maar Halime was ziek. Van kinds af aan worstelde ze met SLE (systematische lupus erythematosus), een soort ziekte dat zorgt voor een ontsteking van het bindweefsel.

In de gevangenis kreeg Halime de voorgeschreven medicijnen niet toegediend. Haar ouders hadden de voorschriften bezorgd aan de politie maar deze hadden ze ‘verloren’ waardoor ze niet voor de medicijnen van Halime konden zorgen. Haar toestand werd slechter met de dag. Halime schreef verschillende brieven naar het bestuur van de gevangenis waarin ze vertelde over haar situatie maar de aangewezen dokter wou haar niet geloven.

Halime kreeg het steeds zwaarder en kon zonder de hulp van haar celgenoten zelfs niet meer naar het toilet. Op 28 april 2018 geraakte ze eerst in een coma, kort nadien sloot ze haar ogen voor eeuwig.

MAZLUM-der, een ngo die opkomt voor de mensenrechten, begon een onderzoek om te achterhalen of Halime werd verwaarloosd. In een rapport dat ze publiceerden op 19 mei 2019 concludeerden ze dat verwaarlozing effectief de doodsoorzaak was van Halime.

In het rapport staan de volgende woorden van een celgenoot: ‘Ze kreeg geen water en kon niet meer wandelen. Op een dag had ze haar tong ingeslikt en hebben we haar kunnen redden met een lepel. Ze kreeg nooit de voor haar voorgeschreven medicatie.’ Ondanks dit rapport werd er geen gerechtelijk onderzoek gestart tegen de gevangenisdirectie en de verantwoordelijken.

Niemand werd verantwoordelijk geacht voor haar dood. Dus ook geen gerechtelijke vervolging voor de verantwoordelijken die het, ondanks haar noodkreten via brieven en aanvragen tot verzorging, verzuimden om haar te helpen.

Vier dagen voor haar dood schreef Halime een brief waarin ze vertelde wat ze had meegemaakt achter de tralies. Deze brief was gericht aan het Communicatiecentrum, verbonden aan de Eerste Minister van Turkije. ‘Met dit schrijven vraag ik om een onderzoek over de periode dat ik werd vastgehouden en een gerechtelijke vervolging van de verantwoordelijken van zowel de politie als het gerecht alsook het ziekenhuis; allen die het verzuimen om mij verder te helpen’.

Deze brief is een jaar na haar dood verschenen dankzij de inspanningen van Ömer Faruk Gergerlioglu, parlementslid voor HDP en lid van de Mensenrechtencommissie binnen het Turkse parlement.

Tentoonstelling artikelen van Halime Gülsu